Auteur van deze pagina: Canan Özay, Irene Strikkers en Soraya Hoegee
0. Praktische informatie voor taalonderzoek
Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Het Singalees verschilt in een aantal opzichten van het Nederlands. Hierdoor kunnen er problemen ontstaan in de fonologie, morfologie en syntaxis in de Nederlandse taal als gevolg van transfer. Als deze problemen in het Nederlands worden geconstateerd, hoeft dit dus geenszins op een taalontwikkelingsstoornis te duiden.
Fonologie Uitspraak Een belangrijk verschil tussen het Singalees en het Nederlands is dat er een aantal klanken zijn die niet voorkomen in het Singalees, bijvoorbeeld driftongen. Tevens kunnen er problemen ontstaan met de eindverstemlozing, wat in het Nederlands vrijwel altijd voorkomt.
Syllabestructuur In het Nederlands kennen wij een aantal syllabestructuren, zoals CVCCCC (herfst) en CCCVVC (straat). Deze syllabele structuren zijn voor leerders van het Nederlands met Singalees als moedertaal lastig zijn, omdat deze niet voorkomen.
Morfologie Verbuigingen en vervoegingen De zelfstandig naamwoorden zijn in het Singalees levend of niet-levend. Deze kunnen verschillende vormen aannemen. Definiete naamwoordgroepen en indefiniete naamwoordgroepen worden niet morfologisch gemarkeerd. Dit kan leiden tot verwarring in het Nederlands. Ook kan het zijn dat de telwoorden in het Nederlands door Singalese leerders ten onrechte worden vervoegd
Werkwoorden Het Singalees kent drie werkwoordsvormen. Het kan voorkomen dat de leerders een stapeling van werkwoordsmorfemen toepassen, zoals ‘hij ren-de-t’, omdat dat in de eigen taal gewoon is. Daarnaast wordt in het Singalees de tegenwoordige tijd gemarkeerd met een extra suffix, terwijl in het Nederlands toegepast wordt in de verleden tijd.
Lidwoorden Een spreker van het Singalees heeft mogelijk moeite met de lidwoorden, omdat het Singalees geen lidwoorden kent. De definietheid wordt met een suffix op het zelfstandig naamwoord uitgedrukt.
Syntaxis Woordvolgorde De woordvolgorde in het Singalees is anders dan in het Nederlands, ze gebruiken namelijk een SOV-volgorde. De persoonvorm zal daarom aan het eind van de zin geplaatst worden. Ook kent het Singalees enkel achtervoegsels, in plaats van voorvoegsels. Het is gebruikelijk om de telwoorden achter de zelfstandig naamwoorden en de betrekkelijke bijzinnen voor het zelfstandig naamwoord te plaatsen. Tevens kunnen de ontkenningen geplaatst worden achter hetgeen wat ontkent wordt en kan er gekozen worden voor het verkeerde ontkennende woord. Tot slot is het Singalees een pro-drop taal, waardoor er mogelijk in het Nederlands problemen ontstaan met het weglaten van persoonlijk voornaamwoorden, koppelwerkwoorden en voegwoorden.
Uitdrukkingen Mogelijk hebben leerders van het Nederlands met moedertaal Singalees problemen met passiefconstructies en bezit. Het Singalees kent onze vormen niet. Voor bezit gebruiken zij voor bezit een locatief voorzetsel in plaats van een werkwoord.
Pragmatiek Het Singalees is een beleefdheidstaal, met veel onderscheidingen. In het Singalees is de betekenis van “u” onbeleefd, waardoor dit mogelijk tot problemen kan leiden bij het leren van het Nederlands.
Vragenlijst in relatie tot problemen in het Nederlands. Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van negatieve transfer vanuit het Singalees.
Fonologie
Heeft het kind moeite met de vocalen /ɪ/, /ʏ/. /ɛ/. /ɔ/, /ɑ/, /y/, /yː/, /øː/, /œː/, /ɛː/ en /ɔː/, de consonanten /ʔ/, /g/, /v/, /z/, /ʒ/, /x/, /ɣ/ en /ɦ/ en de (semi-)diftongen /ɛi/, /œy/, /ɔi/, /ɑu/, /ɑi/, /iu/,/yu/, /ui/, /eːu/, /oːi/ en /aːi/?
Heeft het kind moeite met de reductie van de vocalen /e/, /æ/, /o/ en /a/ tot [ə]?
Is er sprake van moeilijkheden met medeklinkerclusters: meer dan twee in de onset en meer dan één in de coda?
Is er sprake van een gebrek aan eindverstemlozing?
Morfologie
Laat het kind lidwoorden weg in het Nederlands?
Gebruikt het kind geen congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm in gesproken taal?
Gebruikt het kind achtervoegsels in plaats van voorvoegsels?
Wordt de suffix voor de verleden tijd gebruikt in de tegenwoordige tijd?
Heeft het kind moeite met de cogruentie tussen het adjectief en het zelfstandig naamwoord?
Syntaxis
Heeft het kind moeite met de woordvolgorde in het Nederlands?
Laat het kind voornaamwoorden weg?
Is er sprake van moeilijkheden met de passiefconstructie?
Heeft het kind moeite met de plaatsing van de bijzinnen in het Nederlands?
Pragmatiek
Heeft het kind moeite om “u” te gebruiken?
Mogelijke vragen met betrekking tot specifieke TOS-elementen:
Om u behulpzaam te zijn bij het onderscheiden van geproduceerde fouten in het Nederlands naar mogelijke oorzaak, is onderstaande vragenlijst per talig kenmerk (fonologie, morfologie, syntaxis en pragmatiek) opgesteld. Voorzichtigheid bij de analyse van taalproducties aan de hand van deze vragenlijst is geboden; de vragen vormen slechts een leidraad om NT2-fouten globaal van TOS-fouten te onderscheiden. De verkregen informatie dient als eerste indicatie voor de aanwezigheid van een taalontwikkelingsstoornis. Vragenlijst in relatie tot problemen in het Singalees. Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van een TOS.
Fonologie
Heeft het kind in het Singalees moeite met het produceren van bepaalde klanken, terwijl dat niet meer verwacht wordt op zijn of haar leeftijd?
Morfologie
Heeft het kind problemen met het vervoegen van werk-/ voornaamwoorden in het Singalees?
Heeft het kind moeite met de definietsmarkering in het Singalees?
Syntaxis
Zijn er problemen met de woordvolgorde in het Singalees en het uitdrukken van de voornaamwoorden?
Heeft het kind problemen met de verschillende ontkenningen in het Singalees?
Pragmatiek
Maakt het kind weinig oogcontact, is het verminderd wederkerig en heeft het zwakke communicatieve vaardigheden in de moedertaal?
1. Algemene informatie over het Singalees
Het Singalees (Sinhala, සිංහල) is een Indo-Arische taal die vrijwel alleen op het eiland Sri Lanka gesproken wordt. De taal is onderdeel van de Indo-Iraanse talen die op hun beurt weer onderdeel zijn van de Indo-Europese talen. Het is een van de officiële talen van Sri Lanka en wordt daar door ongeveer 15,5 miljoen mensen gesproken (www.ethnologue.com). Het Singalees is verwant aan het Maldivisch en Noord-Indiase talen als het Hindi, Punjabi, Bengaals en Marathi. Daarnaast staat het Singalees al meer dan twee millennia lang in contact met het Tamil, de andere officiële taal van Sri Lanka.
Dialecten
In Sri Lanka worden er verschillende dialecten van het Singalees gesproken. Er is niet één dialect dat vastgelegd is als Standaardtaal, maar in de massamedia wordt hoofdzakelijk het dialect uit de zuidwestelijke Colomboregio gebruikt. Een ander wijdverbreid dialect is dat uit het noordelijke Kandyan. Alle dialecten zijn onderling verstaanbaar, maar het verstaan van het niet-eigen dialect zal enige inspanning vereisen van de hoorder.
Religie
Van de bevolking in Sri Lanka is zo’n 69,1% boeddhistisch, 7,1% hindoestaans, 7,2% islamitisch, 6,2% christelijk, en van de overige 10% is de religie niet bekend.
Schriftsysteem
In het Singalees is er een groter verschil tussen schrijftaal en spreektaal dan in het Nederlands. Literary Sinhala, dat gebruikt wordt in geschreven communicatie, verschilt zowel qua lexicon als qua grammatica van Spoken Sinhala. Het opmerkelijkste verschil tussen de twee varianten is dat Spoken Sinhala in tegenstelling tot Literary Sinhala geen subject-werkwoordagreement kent. Ook qua naamvalgebruik en vervoegingen van naamwoorden, werkwoorden en persoonlijke voornaamwoorden verschillen de twee varianten van elkaar. Op deze wikipagina wordt de nadruk gelegd op de gesproken variant van het Singalees.
Het Singalees kent zijn eigen schriftsysteem, het Sinhala alphabet (zie Tabel 1), dat afgeleid is van het Indiase Brahmi-alfabet. Dit alfabet wordt in Sri Lanka niet alleen gebruikt voor het weergeven van het Singalees, maar ook voor het Pali en Sanskriet. Het Sinhala alphabet is syllabisch, wat wil zeggen dat één schriftteken een complete syllabe weergeeft. De zwarte schrifttekens in de tabel zijn de klassieke tekens, waarmee origineel Singalese woorden worden weergegeven. De grijze tekens worden alleen gebruikt in leenwoorden. Voor het schrijven van Singalees wordt niet alleen gebruik gemaakt van schrifttekens, maar ook van diakritische tekens. Wanneer een klinker volgt op een medeklinker, dan wordt een diakritisch teken gebruikt (zie Tabel 2). De /a/ is, zoals te zien is in Tabel 1, de standaardklinker in een syllabe. Voor deze klinker bestaat dan ook geen diakritisch teken.
Tabel 1: Het Sinhala Alphabet. De zwarte tekens zijn onderdeel van het klassieke Singalese alfabet. De grijze tekens worden alleen gebruikt voor het weergeven van leenwoorden.
අ
ආ
ඇ
ඈ
ඉ
ඊ
ක
ඛ
ග
ඝ
ඞ
ඟ
a
ā
æ
ǣ
i
ī
ka
kha
ga
gha
ṅa
ňga
/a/,/ə/
/aː/,/a/
/æ/
/æː/
/i/
/iː/
/ka/
/ka/
/ga/
/ga/
/ŋa/
/ᵑga/
උ
ඌ
ඍ
ඎ
ඏ
ඐ
ච
ඡ
ජ
ඣ
ඤ
ඦ
u
ū
ṛ
ṝ
ḷ
ḹ
ca
cha
ja
jha
ña
ňja
/u/
/uː/
/ri/,/ru/
/riː, ruː/
/li/
/liː/
/ʧa/
/ʧa/
/ʤa/
/ʤa/
/ɲa/
/nd͡ʒa/
එ
ඒ
ඓ
ඔ
ඕ
ඖ
ට
ඨ
ඩ
ඪ
ණ
ඬ
e
ē
ai
o
ō
au
ṭa
ṭha
ḍa
ḍha
ṇa
ňḍa
/e/
/eː/
/aj/
/o/
/oː/
/ɑw/
/ʈa/
/ʈa/
/ɖa/
/ɖa/
/na/
/ⁿɖa/
ත
ථ
ද
ධ
න
ඳ
ta
tha
da
dha
na
ňda
/ta/
/ta/
/da/
/da/
/na/
/ⁿda/
ප
ඵ
බ
භ
ම
ඹ
pa
pha
ba
bha
ma
m̌ba
/pa/
/pa/
/ba/
/ba/
/ma/
/ᵐba/
ය
ර
ල
ව
ya
ra
la
va
/ja/
/ra/
/la/
/ʋa/
ශ
ෂ
ස
හ
ළ
śa
ṣa
sa
ha
ḷa
/ʃa/
/ʃa/
/sa/
/ɦa/
/la/
Tabel 2: Overzicht van de diakritische tekens in het Sinhala alphabet
ෙ
ි
ො
ු
ැ
e
i
o
u
æ
/e/
/i/
/o/
/u/
/æ/
ා
ේ
ී
ෝ
ූ
ෑ
ā
ē
ī
ō
ū
ǣ
/aː/
/eː/
/iː/
/oː/
/uː/
/æː/
2. Specifieke informatie over het Singalees
Alle voorbeelden op deze wiki-pagina zijn, soms in aangepaste vorm, afkomstig uit het boek Sinhala van Gair & Paolillo (1997).
Fonologie
Het Singalees kent zeven vocalen, die allemaal (behalve de ə) zowel een lange als een korte variant kennen (zie Tabel 3). Daarnaast zijn er 27 consonanten (zie Tabel 4).
Klinkers
Tabel 3: Overzicht van vocalen in het Singalees. De groene vocalen komen niet voor in het Nederlands.
Voor
Midden
Achter
Lang
Kort
Lang
Kort
Lang
Kort
Gesloten
iː
i
uː
u
Midden
eː
e
ə
oː
o
Open
æː
æ
aː
a
Een opvallend kenmerk van het Singalees is de systematische reductie van klinkers. Terwijl in gesloten lettergrepen (zie (1)) en in de meeste woordinitiële lettergrepen (zie (2)) de [a] intact blijft, wordt die in niet-initiële lettergrepen gereduceerd tot [ə] (zie (3)). Hetzelfde geldt in initiële lettergrepen met een complexe onset met een resonant of fricatief als tweede segment (zie (4)). De klinkers /e/, /æ/ en /o/ worden juist gereduceerd tot [ə] in open lettergrepen in het midden van woorden (zie (5)).
Tabel 4: Overzicht van consonanten in het Singalees. De groene consonanten komen niet voor in het Nederlands.
Labiaal
Dentaal/
Alveolair
Retroflex
Palataal
Velair
Glottaal
Nasaal
m
n̪
ɳ
ɲ
ŋ
Plosief
Stemloos
p
t̪
ʈ
tʃ
k
Stemhebbend
b
d̪
ɖ
dʒ
ɡ
Prenasalized
ᵐb
ⁿ̪d̪
ᶯɖ
ᵑɡ
Fricatief
f
s
ʃ
h
Liquida
r
Approximant
ʋ
l
j
Syllaben
In het Singalees bestaan zowel lichte als zware syllabes. Lichte syllabes bevatten een korte klinker en eventueel één of twee beginconsonanten. De mogelijke structuren van lichte syllaben zijn dus V, CV en CCV. Zware syllaben hebben net als lichte nul, één of twee beginconsonanten, maar hebben in tegenstelling tot lichte syllaben een lange klinker en/of een eindconsonant. De mogelijke structuren van zware syllaben zijn dus VV, VC, CVC, CVV, VVC, CVVC, CCVV, CCVC en CCVVC.
Mogelijke problemen als gevolg van transfer
In het Singalees komen een aantal fonemen voor die niet in het Nederlands voorkomen: /e/, /æ/, /æː/, /a/, /o/, /ᵐb/, /ⁿ̪d̪/, /ᶯɖ/, /ɳ/, /ɲ/, /ʈ/, /tʃ/, /ɖ/, /dʒ/, /ɡ/, /ᵑɡ/ en /h/. Deze fonemen zijn in het groen weergegeven in Tabel 3 en Tabel 4. Daarnaast zijn er klanken die wel in het Nederlands voorkomen, maar niet in het Singalees. Dit zijn de vocalen /ɪ/, /ʏ/. /ɛ/. /ɔ/, /ɑ/, /y/, /yː/, /øː/, /œː/, /ɛː/ en /ɔː/, de consonanten /ʔ/, /g/, /v/, /z/, /ʒ/, /x/, /ɣ/ en /ɦ/ en de (semi-)diftongen /ɛi/, /œy/, /ɔi/, /ɑu/, /ɑi/, /iu/,/yu/, /ui/, /eːu/, /oːi/ en /aːi/. Mogelijk zullen vooral de diftongen tot problemen leiden, aangezien die gehele klankcategorie niet voorkomt in het Singalees.
Daarnaast zullen leerders van het Nederlands met Singalees als moedertaal mogelijk de Singalese reductie van de /e/, /æ/, /o/ en /a/ tot [ə] ook toepassen in het Nederlands. In dat geval zou bijv. ‘draken’ uitgesproken worden als [drəkən].
Alle syllabestructuren die in het Singalees voorkomen bestaan ook in het Nederlands. In het Nederlands bestaan er echter structuren die in het Singalees niet mogelijk zijn, zoals CVCCCC (bijv. in ‘herfst’) en CCCVVC (bijv. in ‘straat’). De uitspraak van de begin- en eindclusters van deze Nederlandse woorden kunnen mogelijk tot problemen leiden bij kinderen met het Singalees als moedertaal.
Een laatste fonologische moeilijkheid die kinderen met het Singalees als moedertaal mogelijk tegenkomen bij het leren van het Nederlands is eindverstemlozing. In het Singalees treedt eindverstemlozing namelijk slechts in een erg beperkt aantal gevallen op, terwijl dat in het Nederlands vrijwel altijd optreedt.
Morfologie Zelfstandige naamwoorden
In het Singalees worden zelfstandige naamwoorden onderverdeeld in de categorieën ‘levend’ (animate) en ‘niet-levend’ (inanimate). Deze twee typen nomina hebben een verschillende morfologie. Zo kennen niet-levende naamwoorden alleen een vorm voor de nominatief, datief, genitief en instrumentalis, terwijl de levende naamwoorden ook een vorm voor de accusatief en vocatief hebben. Deze naamvallen worden met een suffix op het naamwoord weergegeven (zie (6)).
Ook in de definietheidsmarkering is er een verschil tussen levende en niet-levende nomina. Indefiniete levende naamwoordgroepen worden in het enkelvoud namelijk gemarkeerd met het clitic -ek, terwijl de niet-levende groepen de clitic -ak krijgen (zie (7)). Definiete naamwoordgroepen en indefiniete naamwoordgroepen in het meervoud worden niet morfologisch gemarkeerd.
(6) potə (‘the book’, nominatief)
potə-ṭə (‘the book’, datief)
(7) balla (‘the dog’)
ball-ek (‘a dog’)
potə (‘the book’)
pot-ak (‘a book’)
Werkwoorden
Singalese werkwoorden hebben over het algemeen drie werkwoordsvormen. Naast een basisvorm kennen ze vaak ook een involutionele vorm en een causatieve vorm (zie (8)). Een involutionele vorm drukt een niet-doelbewuste (out-of-control) actie uit en een causatieve vorm drukt uit dat iemand iets laat doen of gebeuren (in het Nederlands: leggen = doen liggen). Het is echter niet zo dat elk werkwoord al deze verschillende vormen kent.
In het gesproken Singalees is er in tegenstelling tot in het geschreven Singalees geen congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm. Kenmerken als persoon, getal en geslacht worden in de gesproken taal dus niet uitgedrukt op het werkwoord. Het werkwoord kæːvaː betekent dus ‘ik/jij/hij at’ of ‘wij/jullie/zij aten’.
Tijd en aspect worden wel morfologisch weergegeven op het werkwoord. Over het algemeen wordt er gebruik gemaakt van suffixen, eventueel met een klinkerverandering in de stam (zie (9)), maar soms is er ook sprake van reduplicatie (zie (10)). Zoals in (9) te zien is, heeft elk kenmerk op het werkwoord een eigen suffix. -nə geeft aan dat het een werkwoord in de tegenwoordige tijd is en -wa geeft aan dat de handeling aan de gang is.
Het werkwoordsysteem wordt, vanwege zijn grote complexheid, niet in zijn geheel besproken. Voor specifieke informatie over werkwoordsvormen en –suffixen verwijs ik u graag door naar het boek van Gair & Paolillo (1997) dat bij de literatuurverwijzingen genoemd staat.
Voornaamwoorden
In het Singalees wordt er, net als in het Nederlands, een onderscheid gemaakt tussen de eerste, tweede en derde persoon. Net als in het Nederlands bestaan er bij de tweede persoon verschillende vormen, die samenhangen met beleefdheid (zie Pragmatiek).
Net als bij de zelfstandige naamwoorden wordt er bij de voornaamwoorden een onderscheid gemaakt tussen levend en niet-levend. Binnen de categorie ‘levend’ is er een verder onderscheid naar mensen en ‘niet-mensen’. Ook bij de voornaamwoorden geldt dat er geen accusatiefvorm bestaat van niet-levende woorden. Vocatiefvormen bestaan zowel bij de levende als de niet-levende voornaamwoorden niet.
Een opvallend verschil met het Nederlands is dat het Singalees 4 deiktische categorieën heeft. Dat zijn categorieën met woorden die in plaats van een zelfstandig naamwoord gebruikt worden. In het Nederlands zijn er slechts twee vormen: één voor objecten die dichtbij zijn (afhankelijk van het geslacht ‘dit’ en ‘deze’) en één voor objecten die ver weg zijn (‘dat’ en ‘die’). Deze vormen worden ook als anafoor gebruikt om naar eerder genoemde objecten te verwijzen. Het Singalees kent daarentegen vier verschillende deiktische vormen (Tabel 5).
Tabel 5: Overzicht van deiktische vormen
Vorm
Betekenis
Gebruik
mee
‘this, these’
First proximal, voor objecten die dicht bij de spreker en hoorder zijn
oyə
‘that, those (by you)’
Second proximal, voor objecten die dicht bij de hoorder zijn
arə
‘that, those (over there)’
Distal, voor objecten die ver van spreker en hoorder zijn, maar meestal wel in het gezichtsveld
ee
‘that, those (in question)’
Anaphoric, voor verwijzing naar iets in de discourse, meestal naar iets wat eerder genoemd is
Hoewel het Singalees een groot aantal voornaamwoorden kent, hoeven voornaamwoorden niet altijd uitgedrukt te worden. Het Singalees is namelijk een pro-droptaal (zie Syntaxis).
Telwoorden
Singalese telwoorden worden net als naamwoorden verbogen voor definietheid en naamval zie (11).
(11) dekə (two, ‘the two’)
dek-ak (‘two-IND, a two’)
dekə-ṭə (two-DAT, ‘to the two’)
Adjectieven
Het Singalees kent geen congruentie tussen een adjectief en het naamwoord waar het bij hoort. Adjectieven worden dus niet vervoegd voor kenmerken als geslacht en getal.
Postposities
In tegenstelling tot het Nederlands kent het Singalees geen voorvoegsels, maar achtervoegsels (postposities). Sommige van deze "voor"-zetsels, die historisch gezien afgeleid zijn van een naamwoord, worden vervoegd voor naamval (zie (12)). Deze vervoeging komt overeen met die van zelfstandig naamwoorden.
(12) wattə lan̆gə-ṭə
estate near-DAT
‘near the estate’
Mogelijke problemen als gevolg van transfer
Kinderen met Singalees als moedertaal die Nederlands leren lopen mogelijk tegen een aantal moeilijkheden aan. Zo bestaan er in het Singalees geen lidwoorden, maar wordt definietheid met een suffix op het zelfstandig naamwoord uitgedrukt. Mogelijk worden om die reden in het Nederlands lidwoorden weggelaten.
Een ander verschil tussen het Nederlands en het Singalees is dat in het Nederlands geen naamvalsmarkering zichtbaar is op zelfstandige naamwoorden. In het Singalees bestaan daarentegen vier tot zes verschillende naamvalsuitgangen per zelfstandig naamwoord. Dit gebrek aan naamvalsmarkering zal echter waarschijnlijk niet tot problemen leiden. Uit onderzoek van De Jong en Orgassa (2007) blijkt namelijk dat kinderen met een eerste taal met een rijke morfologie, zoals het Singalees, relatief weinig moeite hebben met het leren van een tweede taal met een minder rijke morfologie, zoals het Nederlands.
Ook de Nederlandse voornaamwoorden kennen minder naamvallen dan hun Singalese tegenhangers. Dit zal waarschijnlijk echter ook niet tot problemen leiden. Hetzelfde geldt voor het feit dat het Nederlands minder verschillende deiktische vormen kent, aangezien het Nederlands niet een compleet andere indeling heeft, maar slechts een aantal categorieën die het Singalees kent samengenomen heeft.
Het belangrijkste verschil tussen de twee talen op het gebied van werkwoordsmorfologie is wellicht dat er in het gesproken Singalees in tegenstelling tot in het Nederlands geen sprake is van congruentie tussen het onderwerp en de persoonsvorm. Mogelijk zullen de Nederlandse werkwoordsmorfemen ‘-t’ en ‘-en’ daarom weggelaten worden door kinderen met Singalees als moedertaal.
Het is echter niet zo dat er in het Singalees geen werkwoordssuffixen bestaan. Tijd en aspect worden wel morfologisch uitgedrukt, waarbij elk kenmerk een eigen morfeem kent. Er vindt dus stapeling van morfemen plaats (zie (10) hierboven). Dit leidt in het Nederlands mogelijk tot stapeling van tijds- en persoonsmorfemen, zoals ‘hij ren-de-t’ in plaats van ‘hij ren-de’.
Een ander verschil tussen de Singalese en Nederlandse werkwoordsmorfologie is dat in het Singalees de tegenwoordige tijd gemarkeerd wordt met een extra suffix, terwijl dat in het Nederlands juist geldt voor de verleden tijd. Om die reden zou het Nederlandse verledentijdssuffix mogelijk juist bij de tegenwoordige tijd gebruikt worden.
Daarnaast treedt er bij sommige Singalese werkwoordsvormen, zoals deelwoorden die een voortdurende actie aanduiden, reduplicatie op (zie (11) hierboven). Het is niet uit te sluiten dat deze reduplicatie overgenomen wordt in het Nederlands.
Het gebruik van adjectieven zal mogelijk ook tot problemen leiden. In het Singalees is er namelijk geen congruentie tussen het adjectief en het zelfstandig naamwoord waar het bij staat. In het Nederlands is dat in beperkte mate wel het geval. Dit zal mogelijk leiden tot uitingen als ‘het groot huis’. Aan de andere kant worden telwoorden in het Singalees wel vervoegd voor definietheid en naamval, terwijl dat in het Nederlands niet het geval is. Mogelijk leidt dit tot zinnen als ‘het zesse huis’ in analogie naar ‘het grote huis’.
Het laatste morfologische verschil tussen het Singalees en het Nederlands is dat sommige Singalese postposities vervoegd worden voor naamval. Het Nederlands kent deze vervoeging niet bij zijn preposities. Omdat er geen Nederlandse naamvalsuitgangen zijn die aan de preposities toegevoegd kunnen worden, zal dit echter waarschijnlijk niet tot problemen leiden.
Een aantal van de hierboven genoemde moeilijkheden, zoals het weglaten van de morfemen ‘-t’ en ‘-en’ en het stapelen van deze twee morfemen bovenop verledentijdsmorfemen, spreken elkaar tegen. Het is echter niet exact te voorspellen welke kenmerken van het Singalees de kinderen terug zullen laten komen in hun Nederlands. Ook zullen ze waarschijnlijk niet allemaal hetzelfde doen.
Syntaxis
Woordvolgorde
Het Singalees is een SOV-taal met een redelijk vaste woordvolgorde. Dat wil zeggen dat het subject doorgaans op de eerste zinspositie staat, gevolgd door het object en de werkwoorden (zie (13)). Ook binnen woordgroepen wijkt de volgorde van het Singalees af van die van het Nederlands. Zo kent het Singalees geen voorzetsels, maar achterzetsels en staan telwoorden achter het zelfstandig naamwoord waar ze bij horen. Het Singalees komt echter wel met het Nederlands overeen wat betreft de plaatsing van adjectieven, genitieven en aanwijzende voornaamwoorden. Die worden allemaal geplaatst voor het zelfstandig naamwoord waar ze bij horen. Ook worden kwalificeerders (bijv. bohomə, ‘zeer’), net als in het Nederlands, voor het adjectief geplaatst.
(13) Gunəpaalə minihawə dækka
S O V
Gunapala man-ACC saw
‘Gunapala saw the man’
Pro-drop
Het Singalees is een zogeheten pro-droptaal. Dat wil zeggen dat persoonlijke voornaamwoorden niet uitgedrukt hoeven te worden als uit de context duidelijk is wie of wat er bedoeld is. Dit weglaten van voornaamwoorden kan zowel in de subjectspositie als in de objectspositie, zoals te zien is in (14). De weggelaten voornaamwoorden zijn aangegeven met het symbool ‘ø’.
(14) > siri dæŋ gedərə innəwa də?
Siri now home be-ANIM Q
‘Is Siri at home now?’
< nææ. Ø taamə kantooruwe
No. (he) still office-LOC
‘No. He is still at the office.’
æy, ø ø hambəwennə oonə də?
Why (you) (him) meet-INF want Q
‘Why do you want to see him?’
Bezit
In het Singalees wordt bezit locatief uitgedrukt. Dat wil zeggen dat bezit niet uitgedrukt wordt met een werkwoord (zoals ‘hebben’ in het Nederlands), maar dat er een voorzetsel dat plaats uitdrukt gebruikt wordt. Een letterlijke vertaling van een Singalese bezitsconstructie zou bijvoorbeeld ‘bij mij is een paard’ zijn (in plaats van ‘ik heb een paard’).
Predicaten
In het Singalees worden naamwoordelijke en adjectivale predicaten net als in het Nederlands achter het onderwerp geplaatst. Er wordt echter geen koppelwerkwoord gebruikt om het subject en het predicaat te verbinden (zie (15) en (16)).
(15) mee potə puskolə potak
this book ola-leaf book-IND
‘this book is an ola-leaf manuscript’
(16) mee potə alut
this book-DEF new
‘this book is new’
Bijzinnen
In tegenstelling tot in het Nederlands worden betrekkelijke bijzinnen in het Singalees geplaatst voor het zelfstandig naamwoord waar ze bij horen. In zulke zinnen wordt een speciale werkwoordsvorm gebruikt: de verbal adjective (zie (17)).
(17) [siri gunəpaalaṭə dunnə] potə
[Siri Gunapala-DAT give-PAST-ADJ] book-DEF
‘the book that Siri gave Gunapala’
Bijwoordelijke bijzinnen worden voor de hoofdzin geplaatst (zie (18)).
(18) [ehemə keruwor] harii
[that-way do-COND] correct-ASSN
‘If you do it that way it’s fine’
Passiefconstructies
Het gesproken Singalees kent geen passiefconstructie die vergelijkbaar is met de Nederlandse. Het gebruik van de involitief komt het meest in de buurt (zie (19)).
(19) laməya wælikandak hæduwa
child-NOM sand-hill-IND make-PAST
‘The child makes a sandpile’
hulan̆geŋ wælikandak hæduna
wind-INST sand-hill-IND make-INVOL-PAS
‘A sandpile formed because of the wind’
Negatie
Het Singalees kent twee verschillende woorden om ontkenning uit te drukken: nææ en nemey. Nææ wordt gebruikt om een hele zin te ontkennen. Het woord wordt in dat geval achter het werkwoord geplaatst (zie (22)). Datzelfde woord wordt gebruikt voor het ontkennen van een adjectief (zie (23)). Voor het ontkennen van een naamwoordelijk predicaat wordt echter het woord nemey gebruikt, dat achter het predicaat gezet wordt (zie (24)). Naast deze twee woorden bestaat er ook een ontkenningsprefix, namelijk no-. Dat prefix kan voor infinitieven en afhankelijke werkwoorden (in bijzinnen) geplaatst worden (zie (25)).
(22) ee miniha iiye gunəpaaləṭə salli dunne nææ.
that man yesterday Gunapala-DAT money gave-FOC NEG
‘That man did not give Gunapala money yesterday’
(23) mee potə puskolə potak nemey
this book ola-leaf book-IND NEG
‘This book is not an ola-leaf manuscript’
(24) mee potə alut nææ
this book-DEF new NEG
‘This book is not new’
(25) mamə no-kanne harakmas witəray
I NEG-eat-FOC beef only-ASSN
‘It’s only beef that i don’t eat’
Vraagzinnen
In het Singalees worden ja/nee-vragen gevormd met de vraagmarkeerder ‘də’, dat achter de bevraagde constituent geplaatst wordt, te gebruiken (zie (20)). Vraagwoordvragen worden gesteld met een vraagwoord en de vraagmarkeerder ‘də’, die achter de bevraagde constituent geplaatst worden (zie (21)). Het vraagwoord en de bevraagde constituent blijven normaal gesproken op hun standaardplaats in de zin staan (wh-in-situ). Zo blijven bevraagde objecten over het algemeen op de objectsplaats staan, dus na het subject en voor het subject. Er zijn echter ook verplaatsingen mogelijk om focus op het zinsdeel te leggen
(20) ee miniha də iiye gunəpaaləṭə salli dunne?
That man Q yesterday Gunapala-DAT money gave-FOC.
‘Was it that man who gave Gunapala money yesterday?’
(21) gunəpaalə iiye gatte monəwa də?
Gunapala yesterday took-FOC what Q
‘What did Gunapala take yesterday?’
Coördinatie
In het Singalees bestaat er niet een woord dat vergelijkbaar is met het Nederlandse ‘en’. Er is wel een affix dat coördinatie uitdrukt: -y. Dat affix wordt alleen gebruikt bij het coördineren van twee naamwoordgroepen (zie (26)) en zelfs dan is hij niet verplicht. Coördinatie van naamwoordgroepen kan namelijk ook zonder enige markering uitgedrukt worden (zie (27)). Datzelfde geldt voor de coördinatie van werkwoordsgroepen (zie (28)) en zinnen (zie (29)).
(26) gunəpaalay maamay giyaa
Gunapala-and Uncle-and went
‘Gunapala an Uncle went’
(27) gunəpaalə, maama, giyaa
Gunapala Uncle went
‘Gunapala an Uncle went’
(28) api maalu kanəwa, mas kanəwa
we fish eat meat eat
‘we eat fis hand we (also) eat meat’
(29) gunəpaala ehee wæḍə kərənəwa, siri mehee wæḍə kərənəwa
Gunapala there work do-PRES Siri here work do-PRES
‘Gunepala works there and Siri works here’
Mogelijke problemen als gevolg van transfer
Er zijn een aantal belangrijke verschillen in de woordvolgorde tussen het Nederlands en het Singalees. Zo is het Singalees een redelijk strikte SOV-taal, terwijl in het Nederlands, hoewel het een SVO-taal is, de persoonsvorm in hoofdzinnen op de tweede zinsplaats wordt gezet. Het zou daarom niet verwonderlijk zijn als kinderen met Singalees als moedertaal de Nederlandse persoonsvorm aan het eind van de zin zouden zetten, met als resultaat zinnen als ‘Ik hem zie’. Daarnaast kent het Singalees geen voorzetsels, maar achterzetsels, waardoor zinnen als ‘ik loop straat op’ zouden kunnen ontstaan. Ook staan Singalese telwoorden achter het zelfstandig naamwoord, wat tot naamwoordgroepen als ‘boeken twee’ zou kunnen leiden. In de plaatsing van adjectieven, genitieven, aanwijzende voornaamwoorden en kwalificeerders worden geen problemen verwacht, omdat die in het Singalees net als in het Nederlands voor het zelfstandig dan wel bijvoeglijk naamwoord geplaatst worden.
Ook in de plaatsing van bijzinnen bestaan er verschillen tussen het Nederlands en het Singalees. Zo worden betrekkelijke bijzinnen in het Singalees in tegenstelling tot in het Nederlands geplaatst voor het zelfstandig naamwoord waar ze bij horen. Een kind met Singalees als moedertaal zal dus mogelijk zinnen als ‘ik heb die in de kast staan de boeken gelezen’ uiten. Daarnaast worden betrekkelijke bijzinnen altijd voor de hoofdzin geplaatst. In het Nederlands is plaatsing achter de hoofdzin echter ook mogelijk. Het kan dus zijn dat kinderen met Singalees moeite hebben met zinnen als ‘ik ga wat eerder weg, als je het niet erg vindt’.
Singalese vraagzinnen kennen ook woordvolgorde die afwijkt van die van Nederlandse vraagzinnen. In het Nederlands wordt het bevraagde element in niet-gemarkeerde vraagzinnen naar de eerste zinsplaats gehaald, terwijl die in het Singalees op zijn gebruikelijke plaats blijft staan. Wellicht leidt dit tot Nederlandse zinnen als ’gisteren gaf jij wat aan hem?’, die in het Nederlands alleen in heel specifieke contexten gebruikt worden. Daarnaast kent het Singalees een vraagmarkeerder ‘də’. Het is mogelijk dat om die reden Nederlandse vraagwoorden als ‘wat’ aangezien worden als vraagmarkeerder en daarom ook in ja/nee-vragen gebruikt worden, met zinnen als ‘wil je iets drinken wat?’ als gevolg.
Ook sommige ontkenningen worden in het Singalees op een andere plaats gezet dan in het Nederlands. De plaatsing van een ontkenning van een hele zin, namelijk achter het werkwoord, komt wel overeen met het Nederlands: ‘ik woon niet in Sri Lanka’. De ontkenning van een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord wordt in het Singalees echter op een andere positie uitgedrukt dan in het Nederlands, namelijk achter datgene dat ontkend wordt. In het Nederlands zou dat leiden tot zinnen als ‘dat is boek geen’ en ‘dat is een blauw niet boek’. Daarnaast wordt bij Singalese werkwoorden het voorvoegsel no- gebruikt. Het zou zo kunnen zijn dat het Nederlandse ‘geen’ of ‘niet’ als voorvoegsel wordt opgevat, wat zinnen als ‘ik niet-woon in Sri Lanka’ tot gevolg heeft. Verder komt de distributie van nææ en nemey niet helemaal overeen met die van ‘niet’ en ‘geen’ wat in het Nederlands mogelijk leidt tot de keuze van het verkeerde ontkennende woord.
Niet alleen in de woordvolgorde zitten verschillen tussen het Nederlands en het Singalees, maar ook in het al dan niet zichtbaar uitdrukken van bepaalde woorden en verbanden zitten een aantal grote verschillen. Zo zullen sprekers van het Singalees in het Nederlands mogelijk verplichte voornaamwoorden weglaten. Aangezien het Singalees een pro-droptaal is, mogen in die taal voornaamwoorden weggelaten worden als uit de context duidelijk is wie of wat er bedoeld wordt. In het Nederlands is het echter niet mogelijk om deze voornaamwoorden weg te laten. Op een vraag als ‘zie jij de bal?’ kan dus een antwoord als ‘ik zie niet’ verwacht worden. Daarnaast wordt in zinnen met een naamwoordelijk of adjectivaal predicaat mogelijk het koppelwerkwoord weggelaten. In het Singalees wordt in zulke zinnen immers geen koppelwerkwoord gebruikt. Verder kan verwacht worden dat het woord ‘en’ niet gebruikt wordt, aangezien het Singalees coördinatie niet (zichtbaar) uitdrukt.
Verder kent het Singalees geen passiefconstructie die vergelijkbaar is met die in het Nederlands. Dit gebrek aan vergelijkingsmateriaal in het Singalees leidt mogelijk tot moeilijkheden met de verwerving van de Nederlandse passiefconstructie.
De laatste mogelijke moeilijkheid in de Nederlandse syntaxis voor kinderen met Singalees als moedertaal is het uitdrukken van bezit. In het Singalees wordt daar namelijk geen werkwoord voor gebruikt, zoals in het Nederlands, maar een locatief voorzetsel. Dit leidt mogelijk tot zinnen als ‘bij mij is een boek’ in plaats van ‘ik heb een boek’ in het Nederlands.
Pragmatiek
Het Singalees kent een uitgebreid beleefdheidssysteem waarin veel verschillende onderscheiden gemaakt worden. De basis van het systeem is het verschil in sociale status tussen spreker en hoorder. In Tabel 6 wordt een overzicht gegeven van de verschillende Singalese persoonlijk voornaamwoorden voor de tweede persoon en hun gebruik.
Tabel 6: Overzicht van persoonlijke voornaamwoorden voor de tweede persoon
Voornaamwoord
Getal
Gebruik
mahatmayā
Enkelvoud
Voor het aanspreken van een persoon met een vergelijkbare status die je niet goed kent en voor het aanspreken van superieuren door ondergeschikten (bijv. werknemers).
ohē
Enkelvoud
Voor het aanspreken van gelijken, vooral tussen mannen, maar ook tussen gehuwden.
oyā
Enkelvoud
Voor het aanspreken van gelijken, met name vrienden en familieleden.
tamusē
Enkelvoud
Neutrale vorm voor het aanspreken van gelijken, soms ook gebruikt om intimiteit uit te drukken.
tō
Enkelvoud
Voor het onbeleefd aanspreken van mensen met een lagere status.
topi
Meervoud
Voor het onbeleefd aanspreken van mensen met een lagere status.
um̆ba
Enkelvoud
Voor het aanspreken van gelijken in plattelandsgebieden, maar ook de vorm die ouderen gebruiken voor het aanspreken van jongeren, ouders voor het aanspreken van hun kinderen en mensen uit een hogere sociale klasse voor mensen uit een lagere sociale klasse.
Mogelijke problemen als gevold van transfer
Hoewel de basis van het Nederlandse en het Singalese beleefdheidssysteem, namelijk het uitdrukken van verschillen in aanzien, hetzelfde is, worden er toch problemen verwacht in het Nederlands. Het woord ‘u’ wordt namelijk gezien als het geluid dat een koe maakt en wordt het daarom als onbeleefd gezien. Dit alles leidt mogelijk tot een verminderd gebruik van ‘u’.
Net als in sommige andere Aziatische culturen is het in de Sri Lankaanse cultuur onbeleefd om personen die hoger geplaatst zijn aan te kijken. Dit geldt bijvoorbeeld voor oudere mensen en leraren. Aangezien een logopedist of taal-spraakpatholoog waarschijnlijk als een soort leraar gezien zal worden, is het goed mogelijk dat een kind zijn logopedist of taal-spraakpatholoog niet aan zal kijken. Het niet aankijken van de gesprekspartner zal daarom niet direct als antisociaal gedrag opgevat moeten worden, maar als een uiting van de Sri Lankaanse cultuur.
3. Verwervingsfases van bovengenoemde domeinen in het Singalees
Over de eerste taalverwerving van het Singalees en de verwervingsfases in de genoemde domeinen is er helaas geen informatie bekend.
4. Onderzoek naar taalontwikkelingsstoornissen in het Singalees
Er zijn geen onderzoeken bekend naar taalstoornissen in het Singalees.
5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen
Alle voorbeelden op deze wiki-pagina zijn, soms in aangepaste vorm, afkomstig uit het boek Sinhala van Gair & Paolillo (1997). Voor het maken van deze wiki-pagina is verder gebruik gemaakt van de volgende bronnen:
Artikelen
Jong, J. de & A. Orgassa (2007). Specifieke taalstoornissen in tweetalige context.Logopedie en Foniatrie79, 208-212.
Boeken
Chandralal, D. (2010). Sinhala. Amsterdam: John Benjamins Publising.
Gair, J.W. & Paolillo, J.C. (1997). Sinhala. München: Lincom Europa.
0. Praktische informatie voor taalonderzoek
Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Het Singalees verschilt in een aantal opzichten van het Nederlands. Hierdoor kunnen er problemen ontstaan in de fonologie, morfologie en syntaxis in de Nederlandse taal als gevolg van transfer. Als deze problemen in het Nederlands worden geconstateerd, hoeft dit dus geenszins op een taalontwikkelingsstoornis te duiden.Fonologie
Uitspraak
Een belangrijk verschil tussen het Singalees en het Nederlands is dat er een aantal klanken zijn die niet voorkomen in het Singalees, bijvoorbeeld driftongen. Tevens kunnen er problemen ontstaan met de eindverstemlozing, wat in het Nederlands vrijwel altijd voorkomt.
Syllabestructuur
In het Nederlands kennen wij een aantal syllabestructuren, zoals CVCCCC (herfst) en CCCVVC (straat). Deze syllabele structuren zijn voor leerders van het Nederlands met Singalees als moedertaal lastig zijn, omdat deze niet voorkomen.
Morfologie
Verbuigingen en vervoegingen
De zelfstandig naamwoorden zijn in het Singalees levend of niet-levend. Deze kunnen verschillende vormen aannemen. Definiete naamwoordgroepen en indefiniete naamwoordgroepen worden niet morfologisch gemarkeerd. Dit kan leiden tot verwarring in het Nederlands. Ook kan het zijn dat de telwoorden in het Nederlands door Singalese leerders ten onrechte worden vervoegd
Werkwoorden
Het Singalees kent drie werkwoordsvormen. Het kan voorkomen dat de leerders een stapeling van werkwoordsmorfemen toepassen, zoals ‘hij ren-de-t’, omdat dat in de eigen taal gewoon is. Daarnaast wordt in het Singalees de tegenwoordige tijd gemarkeerd met een extra suffix, terwijl in het Nederlands toegepast wordt in de verleden tijd.
Lidwoorden
Een spreker van het Singalees heeft mogelijk moeite met de lidwoorden, omdat het Singalees geen lidwoorden kent. De definietheid wordt met een suffix op het zelfstandig naamwoord uitgedrukt.
Syntaxis
Woordvolgorde
De woordvolgorde in het Singalees is anders dan in het Nederlands, ze gebruiken namelijk een SOV-volgorde. De persoonvorm zal daarom aan het eind van de zin geplaatst worden. Ook kent het Singalees enkel achtervoegsels, in plaats van voorvoegsels. Het is gebruikelijk om de telwoorden achter de zelfstandig naamwoorden en de betrekkelijke bijzinnen voor het zelfstandig naamwoord te plaatsen. Tevens kunnen de ontkenningen geplaatst worden achter hetgeen wat ontkent wordt en kan er gekozen worden voor het verkeerde ontkennende woord. Tot slot is het Singalees een pro-drop taal, waardoor er mogelijk in het Nederlands problemen ontstaan met het weglaten van persoonlijk voornaamwoorden, koppelwerkwoorden en voegwoorden.
Uitdrukkingen
Mogelijk hebben leerders van het Nederlands met moedertaal Singalees problemen met passiefconstructies en bezit. Het Singalees kent onze vormen niet. Voor bezit gebruiken zij voor bezit een locatief voorzetsel in plaats van een werkwoord.
Pragmatiek
Het Singalees is een beleefdheidstaal, met veel onderscheidingen. In het Singalees is de betekenis van “u” onbeleefd, waardoor dit mogelijk tot problemen kan leiden bij het leren van het Nederlands.
Vragenlijst in relatie tot problemen in het Nederlands. Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van negatieve transfer vanuit het Singalees.
Heeft het kind moeite met de vocalen /ɪ/, /ʏ/. /ɛ/. /ɔ/, /ɑ/, /y/, /yː/, /øː/, /œː/, /ɛː/ en /ɔː/, de consonanten /ʔ/, /g/, /v/, /z/, /ʒ/, /x/, /ɣ/ en /ɦ/ en de (semi-)diftongen /ɛi/, /œy/, /ɔi/, /ɑu/, /ɑi/, /iu/,/yu/, /ui/, /eːu/, /oːi/ en /aːi/?
Heeft het kind moeite met de reductie van de vocalen /e/, /æ/, /o/ en /a/ tot [ə]?
Is er sprake van moeilijkheden met medeklinkerclusters: meer dan twee in de onset en meer dan één in de coda?
Is er sprake van een gebrek aan eindverstemlozing?
Laat het kind lidwoorden weg in het Nederlands?
Gebruikt het kind geen congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm in gesproken taal?
Gebruikt het kind achtervoegsels in plaats van voorvoegsels?
Wordt de suffix voor de verleden tijd gebruikt in de tegenwoordige tijd?
Heeft het kind moeite met de cogruentie tussen het adjectief en het zelfstandig naamwoord?
Heeft het kind moeite met de woordvolgorde in het Nederlands?
Laat het kind voornaamwoorden weg?
Is er sprake van moeilijkheden met de passiefconstructie?
Heeft het kind moeite met de plaatsing van de bijzinnen in het Nederlands?
Heeft het kind moeite om “u” te gebruiken?
Mogelijke vragen met betrekking tot specifieke TOS-elementen:
Om u behulpzaam te zijn bij het onderscheiden van geproduceerde fouten in het Nederlands naar mogelijke oorzaak, is onderstaande vragenlijst per talig kenmerk (fonologie, morfologie, syntaxis en pragmatiek) opgesteld. Voorzichtigheid bij de analyse van taalproducties aan de hand van deze vragenlijst is geboden; de vragen vormen slechts een leidraad om NT2-fouten globaal van TOS-fouten te onderscheiden. De verkregen informatie dient als eerste indicatie voor de aanwezigheid van een taalontwikkelingsstoornis.Vragenlijst in relatie tot problemen in het Singalees. Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van een TOS.
Heeft het kind in het Singalees moeite met het produceren van bepaalde klanken, terwijl dat niet meer verwacht wordt op zijn of haar leeftijd?
Heeft het kind problemen met het vervoegen van werk-/ voornaamwoorden in het Singalees?
Heeft het kind moeite met de definietsmarkering in het Singalees?
Zijn er problemen met de woordvolgorde in het Singalees en het uitdrukken van de voornaamwoorden?
Heeft het kind problemen met de verschillende ontkenningen in het Singalees?
Maakt het kind weinig oogcontact, is het verminderd wederkerig en heeft het zwakke communicatieve vaardigheden in de moedertaal?
1. Algemene informatie over het Singalees
Het Singalees (Sinhala, සිංහල) is een Indo-Arische taal die vrijwel alleen op het eiland Sri Lanka gesproken wordt. De taal is onderdeel van de Indo-Iraanse talen die op hun beurt weer onderdeel zijn van de Indo-Europese talen. Het is een van de officiële talen van Sri Lanka en wordt daar door ongeveer 15,5 miljoen mensen gesproken (www.ethnologue.com). Het Singalees is verwant aan het Maldivisch en Noord-Indiase talen als het Hindi, Punjabi, Bengaals en Marathi. Daarnaast staat het Singalees al meer dan twee millennia lang in contact met het Tamil, de andere officiële taal van Sri Lanka.
Figuur 1. : Overzicht van het gesproken Singalees over de wereld (Bron: https://www.srilankaonline.nl/bouwstenen-reizen-sri-lanka/malediven/ )
Dialecten
In Sri Lanka worden er verschillende dialecten van het Singalees gesproken. Er is niet één dialect dat vastgelegd is als Standaardtaal, maar in de massamedia wordt hoofdzakelijk het dialect uit de zuidwestelijke Colomboregio gebruikt. Een ander wijdverbreid dialect is dat uit het noordelijke Kandyan. Alle dialecten zijn onderling verstaanbaar, maar het verstaan van het niet-eigen dialect zal enige inspanning vereisen van de hoorder.
Religie
Van de bevolking in Sri Lanka is zo’n 69,1% boeddhistisch, 7,1% hindoestaans, 7,2% islamitisch, 6,2% christelijk, en van de overige 10% is de religie niet bekend.
Schriftsysteem
In het Singalees is er een groter verschil tussen schrijftaal en spreektaal dan in het Nederlands. Literary Sinhala, dat gebruikt wordt in geschreven communicatie, verschilt zowel qua lexicon als qua grammatica van Spoken Sinhala. Het opmerkelijkste verschil tussen de twee varianten is dat Spoken Sinhala in tegenstelling tot Literary Sinhala geen subject-werkwoordagreement kent. Ook qua naamvalgebruik en vervoegingen van naamwoorden, werkwoorden en persoonlijke voornaamwoorden verschillen de twee varianten van elkaar. Op deze wikipagina wordt de nadruk gelegd op de gesproken variant van het Singalees.
Het Singalees kent zijn eigen schriftsysteem, het Sinhala alphabet (zie Tabel 1), dat afgeleid is van het Indiase Brahmi-alfabet. Dit alfabet wordt in Sri Lanka niet alleen gebruikt voor het weergeven van het Singalees, maar ook voor het Pali en Sanskriet. Het Sinhala alphabet is syllabisch, wat wil zeggen dat één schriftteken een complete syllabe weergeeft. De zwarte schrifttekens in de tabel zijn de klassieke tekens, waarmee origineel Singalese woorden worden weergegeven. De grijze tekens worden alleen gebruikt in leenwoorden. Voor het schrijven van Singalees wordt niet alleen gebruik gemaakt van schrifttekens, maar ook van diakritische tekens. Wanneer een klinker volgt op een medeklinker, dan wordt een diakritisch teken gebruikt (zie Tabel 2). De /a/ is, zoals te zien is in Tabel 1, de standaardklinker in een syllabe. Voor deze klinker bestaat dan ook geen diakritisch teken.
Tabel 1: Het Sinhala Alphabet. De zwarte tekens zijn onderdeel van het klassieke Singalese alfabet. De grijze tekens worden alleen gebruikt voor het weergeven van leenwoorden.
Tabel 2: Overzicht van de diakritische tekens in het Sinhala alphabet
2. Specifieke informatie over het Singalees
Alle voorbeelden op deze wiki-pagina zijn, soms in aangepaste vorm, afkomstig uit het boek Sinhala van Gair & Paolillo (1997).Fonologie
Het Singalees kent zeven vocalen, die allemaal (behalve de ə) zowel een lange als een korte variant kennen (zie Tabel 3). Daarnaast zijn er 27 consonanten (zie Tabel 4).
Klinkers
Tabel 3: Overzicht van vocalen in het Singalees. De groene vocalen komen niet voor in het Nederlands.
Een opvallend kenmerk van het Singalees is de systematische reductie van klinkers. Terwijl in gesloten lettergrepen (zie (1)) en in de meeste woordinitiële lettergrepen (zie (2)) de [a] intact blijft, wordt die in niet-initiële lettergrepen gereduceerd tot [ə] (zie (3)). Hetzelfde geldt in initiële lettergrepen met een complexe onset met een resonant of fricatief als tweede segment (zie (4)). De klinkers /e/, /æ/ en /o/ worden juist gereduceerd tot [ə] in open lettergrepen in het midden van woorden (zie (5)).
(1) kiyannə (‘to say’)
(2) kapənə (‘cutting’)
(3) kiyənə (‘saying’)
(4) krəmə (‘systems’)
(5) penella - penəli (‘firebrand’ - 'firebrands’)
wærædde - wærədi (‘the fault’ - ‘faults’)
dolos - doləha (‘twelve’ (stam) - ‘twelve’ (definiete vorm))
Medeklinkers
Tabel 4: Overzicht van consonanten in het Singalees. De groene consonanten komen niet voor in het Nederlands.
Alveolair
Syllaben
In het Singalees bestaan zowel lichte als zware syllabes. Lichte syllabes bevatten een korte klinker en eventueel één of twee beginconsonanten. De mogelijke structuren van lichte syllaben zijn dus V, CV en CCV. Zware syllaben hebben net als lichte nul, één of twee beginconsonanten, maar hebben in tegenstelling tot lichte syllaben een lange klinker en/of een eindconsonant. De mogelijke structuren van zware syllaben zijn dus VV, VC, CVC, CVV, VVC, CVVC, CCVV, CCVC en CCVVC.
Mogelijke problemen als gevolg van transfer
In het Singalees komen een aantal fonemen voor die niet in het Nederlands voorkomen: /e/, /æ/, /æː/, /a/, /o/, /ᵐb/, /ⁿ̪d̪/, /ᶯɖ/, /ɳ/, /ɲ/, /ʈ/, /tʃ/, /ɖ/, /dʒ/, /ɡ/, /ᵑɡ/ en /h/. Deze fonemen zijn in het groen weergegeven in Tabel 3 en Tabel 4. Daarnaast zijn er klanken die wel in het Nederlands voorkomen, maar niet in het Singalees. Dit zijn de vocalen /ɪ/, /ʏ/. /ɛ/. /ɔ/, /ɑ/, /y/, /yː/, /øː/, /œː/, /ɛː/ en /ɔː/, de consonanten /ʔ/, /g/, /v/, /z/, /ʒ/, /x/, /ɣ/ en /ɦ/ en de (semi-)diftongen /ɛi/, /œy/, /ɔi/, /ɑu/, /ɑi/, /iu/,/yu/, /ui/, /eːu/, /oːi/ en /aːi/. Mogelijk zullen vooral de diftongen tot problemen leiden, aangezien die gehele klankcategorie niet voorkomt in het Singalees.
Daarnaast zullen leerders van het Nederlands met Singalees als moedertaal mogelijk de Singalese reductie van de /e/, /æ/, /o/ en /a/ tot [ə] ook toepassen in het Nederlands. In dat geval zou bijv. ‘draken’ uitgesproken worden als [drəkən].
Alle syllabestructuren die in het Singalees voorkomen bestaan ook in het Nederlands. In het Nederlands bestaan er echter structuren die in het Singalees niet mogelijk zijn, zoals CVCCCC (bijv. in ‘herfst’) en CCCVVC (bijv. in ‘straat’). De uitspraak van de begin- en eindclusters van deze Nederlandse woorden kunnen mogelijk tot problemen leiden bij kinderen met het Singalees als moedertaal.
Een laatste fonologische moeilijkheid die kinderen met het Singalees als moedertaal mogelijk tegenkomen bij het leren van het Nederlands is eindverstemlozing. In het Singalees treedt eindverstemlozing namelijk slechts in een erg beperkt aantal gevallen op, terwijl dat in het Nederlands vrijwel altijd optreedt.
Morfologie
Zelfstandige naamwoorden
In het Singalees worden zelfstandige naamwoorden onderverdeeld in de categorieën ‘levend’ (animate) en ‘niet-levend’ (inanimate). Deze twee typen nomina hebben een verschillende morfologie. Zo kennen niet-levende naamwoorden alleen een vorm voor de nominatief, datief, genitief en instrumentalis, terwijl de levende naamwoorden ook een vorm voor de accusatief en vocatief hebben. Deze naamvallen worden met een suffix op het naamwoord weergegeven (zie (6)).
Ook in de definietheidsmarkering is er een verschil tussen levende en niet-levende nomina. Indefiniete levende naamwoordgroepen worden in het enkelvoud namelijk gemarkeerd met het clitic -ek, terwijl de niet-levende groepen de clitic -ak krijgen (zie (7)). Definiete naamwoordgroepen en indefiniete naamwoordgroepen in het meervoud worden niet morfologisch gemarkeerd.
(6) potə (‘the book’, nominatief)
potə-ṭə (‘the book’, datief)
(7) balla (‘the dog’)
ball-ek (‘a dog’)
potə (‘the book’)
pot-ak (‘a book’)
Werkwoorden
Singalese werkwoorden hebben over het algemeen drie werkwoordsvormen. Naast een basisvorm kennen ze vaak ook een involutionele vorm en een causatieve vorm (zie (8)). Een involutionele vorm drukt een niet-doelbewuste (out-of-control) actie uit en een causatieve vorm drukt uit dat iemand iets laat doen of gebeuren (in het Nederlands: leggen = doen liggen). Het is echter niet zo dat elk werkwoord al deze verschillende vormen kent.
In het gesproken Singalees is er in tegenstelling tot in het geschreven Singalees geen congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm. Kenmerken als persoon, getal en geslacht worden in de gesproken taal dus niet uitgedrukt op het werkwoord. Het werkwoord kæːvaː betekent dus ‘ik/jij/hij at’ of ‘wij/jullie/zij aten’.
Tijd en aspect worden wel morfologisch weergegeven op het werkwoord. Over het algemeen wordt er gebruik gemaakt van suffixen, eventueel met een klinkerverandering in de stam (zie (9)), maar soms is er ook sprake van reduplicatie (zie (10)). Zoals in (9) te zien is, heeft elk kenmerk op het werkwoord een eigen suffix. -nə geeft aan dat het een werkwoord in de tegenwoordige tijd is en -wa geeft aan dat de handeling aan de gang is.
(8) toorənəwa (‘explain’, basisvorm)
teerenəwa (‘understand’, involutionele vorm)
toorəwənəwa (‘cause to explain’, causatieve vorm)
(9) kərə-nə-wa (‘is doing’)
keru-wa (‘was doing’)
(10) ahannə (‘listening’)
ahannə ahannə (‘as listening goes on’)
Het werkwoordsysteem wordt, vanwege zijn grote complexheid, niet in zijn geheel besproken. Voor specifieke informatie over werkwoordsvormen en –suffixen verwijs ik u graag door naar het boek van Gair & Paolillo (1997) dat bij de literatuurverwijzingen genoemd staat.
Voornaamwoorden
In het Singalees wordt er, net als in het Nederlands, een onderscheid gemaakt tussen de eerste, tweede en derde persoon. Net als in het Nederlands bestaan er bij de tweede persoon verschillende vormen, die samenhangen met beleefdheid (zie Pragmatiek).
Net als bij de zelfstandige naamwoorden wordt er bij de voornaamwoorden een onderscheid gemaakt tussen levend en niet-levend. Binnen de categorie ‘levend’ is er een verder onderscheid naar mensen en ‘niet-mensen’. Ook bij de voornaamwoorden geldt dat er geen accusatiefvorm bestaat van niet-levende woorden. Vocatiefvormen bestaan zowel bij de levende als de niet-levende voornaamwoorden niet.
Een opvallend verschil met het Nederlands is dat het Singalees 4 deiktische categorieën heeft. Dat zijn categorieën met woorden die in plaats van een zelfstandig naamwoord gebruikt worden. In het Nederlands zijn er slechts twee vormen: één voor objecten die dichtbij zijn (afhankelijk van het geslacht ‘dit’ en ‘deze’) en één voor objecten die ver weg zijn (‘dat’ en ‘die’). Deze vormen worden ook als anafoor gebruikt om naar eerder genoemde objecten te verwijzen. Het Singalees kent daarentegen vier verschillende deiktische vormen (Tabel 5).
Tabel 5: Overzicht van deiktische vormen
Hoewel het Singalees een groot aantal voornaamwoorden kent, hoeven voornaamwoorden niet altijd uitgedrukt te worden. Het Singalees is namelijk een pro-droptaal (zie Syntaxis).
Telwoorden
Singalese telwoorden worden net als naamwoorden verbogen voor definietheid en naamval zie (11).
(11) dekə (two, ‘the two’)
dek-ak (‘two-IND, a two’)
dekə-ṭə (two-DAT, ‘to the two’)
Adjectieven
Het Singalees kent geen congruentie tussen een adjectief en het naamwoord waar het bij hoort. Adjectieven worden dus niet vervoegd voor kenmerken als geslacht en getal.
Postposities
In tegenstelling tot het Nederlands kent het Singalees geen voorvoegsels, maar achtervoegsels (postposities). Sommige van deze "voor"-zetsels, die historisch gezien afgeleid zijn van een naamwoord, worden vervoegd voor naamval (zie (12)). Deze vervoeging komt overeen met die van zelfstandig naamwoorden.
(12) wattə lan̆gə-ṭə
estate near-DAT
‘near the estate’
Mogelijke problemen als gevolg van transfer
Kinderen met Singalees als moedertaal die Nederlands leren lopen mogelijk tegen een aantal moeilijkheden aan. Zo bestaan er in het Singalees geen lidwoorden, maar wordt definietheid met een suffix op het zelfstandig naamwoord uitgedrukt. Mogelijk worden om die reden in het Nederlands lidwoorden weggelaten.
Een ander verschil tussen het Nederlands en het Singalees is dat in het Nederlands geen naamvalsmarkering zichtbaar is op zelfstandige naamwoorden. In het Singalees bestaan daarentegen vier tot zes verschillende naamvalsuitgangen per zelfstandig naamwoord. Dit gebrek aan naamvalsmarkering zal echter waarschijnlijk niet tot problemen leiden. Uit onderzoek van De Jong en Orgassa (2007) blijkt namelijk dat kinderen met een eerste taal met een rijke morfologie, zoals het Singalees, relatief weinig moeite hebben met het leren van een tweede taal met een minder rijke morfologie, zoals het Nederlands.
Ook de Nederlandse voornaamwoorden kennen minder naamvallen dan hun Singalese tegenhangers. Dit zal waarschijnlijk echter ook niet tot problemen leiden. Hetzelfde geldt voor het feit dat het Nederlands minder verschillende deiktische vormen kent, aangezien het Nederlands niet een compleet andere indeling heeft, maar slechts een aantal categorieën die het Singalees kent samengenomen heeft.
Het belangrijkste verschil tussen de twee talen op het gebied van werkwoordsmorfologie is wellicht dat er in het gesproken Singalees in tegenstelling tot in het Nederlands geen sprake is van congruentie tussen het onderwerp en de persoonsvorm. Mogelijk zullen de Nederlandse werkwoordsmorfemen ‘-t’ en ‘-en’ daarom weggelaten worden door kinderen met Singalees als moedertaal.
Het is echter niet zo dat er in het Singalees geen werkwoordssuffixen bestaan. Tijd en aspect worden wel morfologisch uitgedrukt, waarbij elk kenmerk een eigen morfeem kent. Er vindt dus stapeling van morfemen plaats (zie (10) hierboven). Dit leidt in het Nederlands mogelijk tot stapeling van tijds- en persoonsmorfemen, zoals ‘hij ren-de-t’ in plaats van ‘hij ren-de’.
Een ander verschil tussen de Singalese en Nederlandse werkwoordsmorfologie is dat in het Singalees de tegenwoordige tijd gemarkeerd wordt met een extra suffix, terwijl dat in het Nederlands juist geldt voor de verleden tijd. Om die reden zou het Nederlandse verledentijdssuffix mogelijk juist bij de tegenwoordige tijd gebruikt worden.
Daarnaast treedt er bij sommige Singalese werkwoordsvormen, zoals deelwoorden die een voortdurende actie aanduiden, reduplicatie op (zie (11) hierboven). Het is niet uit te sluiten dat deze reduplicatie overgenomen wordt in het Nederlands.
Het gebruik van adjectieven zal mogelijk ook tot problemen leiden. In het Singalees is er namelijk geen congruentie tussen het adjectief en het zelfstandig naamwoord waar het bij staat. In het Nederlands is dat in beperkte mate wel het geval. Dit zal mogelijk leiden tot uitingen als ‘het groot huis’. Aan de andere kant worden telwoorden in het Singalees wel vervoegd voor definietheid en naamval, terwijl dat in het Nederlands niet het geval is. Mogelijk leidt dit tot zinnen als ‘het zesse huis’ in analogie naar ‘het grote huis’.
Het laatste morfologische verschil tussen het Singalees en het Nederlands is dat sommige Singalese postposities vervoegd worden voor naamval. Het Nederlands kent deze vervoeging niet bij zijn preposities. Omdat er geen Nederlandse naamvalsuitgangen zijn die aan de preposities toegevoegd kunnen worden, zal dit echter waarschijnlijk niet tot problemen leiden.
Een aantal van de hierboven genoemde moeilijkheden, zoals het weglaten van de morfemen ‘-t’ en ‘-en’ en het stapelen van deze twee morfemen bovenop verledentijdsmorfemen, spreken elkaar tegen. Het is echter niet exact te voorspellen welke kenmerken van het Singalees de kinderen terug zullen laten komen in hun Nederlands. Ook zullen ze waarschijnlijk niet allemaal hetzelfde doen.
Syntaxis
Woordvolgorde
Het Singalees is een SOV-taal met een redelijk vaste woordvolgorde. Dat wil zeggen dat het subject doorgaans op de eerste zinspositie staat, gevolgd door het object en de werkwoorden (zie (13)). Ook binnen woordgroepen wijkt de volgorde van het Singalees af van die van het Nederlands. Zo kent het Singalees geen voorzetsels, maar achterzetsels en staan telwoorden achter het zelfstandig naamwoord waar ze bij horen. Het Singalees komt echter wel met het Nederlands overeen wat betreft de plaatsing van adjectieven, genitieven en aanwijzende voornaamwoorden. Die worden allemaal geplaatst voor het zelfstandig naamwoord waar ze bij horen. Ook worden kwalificeerders (bijv. bohomə, ‘zeer’), net als in het Nederlands, voor het adjectief geplaatst.
(13) Gunəpaalə minihawə dækka
S O V
Gunapala man-ACC saw
‘Gunapala saw the man’
Pro-drop
Het Singalees is een zogeheten pro-droptaal. Dat wil zeggen dat persoonlijke voornaamwoorden niet uitgedrukt hoeven te worden als uit de context duidelijk is wie of wat er bedoeld is. Dit weglaten van voornaamwoorden kan zowel in de subjectspositie als in de objectspositie, zoals te zien is in (14). De weggelaten voornaamwoorden zijn aangegeven met het symbool ‘ø’.
(14) > siri dæŋ gedərə innəwa də?
Siri now home be-ANIM Q
‘Is Siri at home now?’
< nææ. Ø taamə kantooruwe
No. (he) still office-LOC
‘No. He is still at the office.’
æy, ø ø hambəwennə oonə də?
Why (you) (him) meet-INF want Q
‘Why do you want to see him?’
Bezit
In het Singalees wordt bezit locatief uitgedrukt. Dat wil zeggen dat bezit niet uitgedrukt wordt met een werkwoord (zoals ‘hebben’ in het Nederlands), maar dat er een voorzetsel dat plaats uitdrukt gebruikt wordt. Een letterlijke vertaling van een Singalese bezitsconstructie zou bijvoorbeeld ‘bij mij is een paard’ zijn (in plaats van ‘ik heb een paard’).
Predicaten
In het Singalees worden naamwoordelijke en adjectivale predicaten net als in het Nederlands achter het onderwerp geplaatst. Er wordt echter geen koppelwerkwoord gebruikt om het subject en het predicaat te verbinden (zie (15) en (16)).
(15) mee potə puskolə potak
this book ola-leaf book-IND
‘this book is an ola-leaf manuscript’
(16) mee potə alut
this book-DEF new
‘this book is new’
Bijzinnen
In tegenstelling tot in het Nederlands worden betrekkelijke bijzinnen in het Singalees geplaatst voor het zelfstandig naamwoord waar ze bij horen. In zulke zinnen wordt een speciale werkwoordsvorm gebruikt: de verbal adjective (zie (17)).
(17) [siri gunəpaalaṭə dunnə] potə
[Siri Gunapala-DAT give-PAST-ADJ] book-DEF
‘the book that Siri gave Gunapala’
Bijwoordelijke bijzinnen worden voor de hoofdzin geplaatst (zie (18)).
(18) [ehemə keruwor] harii
[that-way do-COND] correct-ASSN
‘If you do it that way it’s fine’
Passiefconstructies
Het gesproken Singalees kent geen passiefconstructie die vergelijkbaar is met de Nederlandse. Het gebruik van de involitief komt het meest in de buurt (zie (19)).
(19) laməya wælikandak hæduwa
child-NOM sand-hill-IND make-PAST
‘The child makes a sandpile’
hulan̆geŋ wælikandak hæduna
wind-INST sand-hill-IND make-INVOL-PAS
‘A sandpile formed because of the wind’
Negatie
Het Singalees kent twee verschillende woorden om ontkenning uit te drukken: nææ en nemey. Nææ wordt gebruikt om een hele zin te ontkennen. Het woord wordt in dat geval achter het werkwoord geplaatst (zie (22)). Datzelfde woord wordt gebruikt voor het ontkennen van een adjectief (zie (23)). Voor het ontkennen van een naamwoordelijk predicaat wordt echter het woord nemey gebruikt, dat achter het predicaat gezet wordt (zie (24)). Naast deze twee woorden bestaat er ook een ontkenningsprefix, namelijk no-. Dat prefix kan voor infinitieven en afhankelijke werkwoorden (in bijzinnen) geplaatst worden (zie (25)).
(22) ee miniha iiye gunəpaaləṭə salli dunne nææ.
that man yesterday Gunapala-DAT money gave-FOC NEG
‘That man did not give Gunapala money yesterday’
(23) mee potə puskolə potak nemey
this book ola-leaf book-IND NEG
‘This book is not an ola-leaf manuscript’
(24) mee potə alut nææ
this book-DEF new NEG
‘This book is not new’
(25) mamə no-kanne harakmas witəray
I NEG-eat-FOC beef only-ASSN
‘It’s only beef that i don’t eat’
Vraagzinnen
In het Singalees worden ja/nee-vragen gevormd met de vraagmarkeerder ‘də’, dat achter de bevraagde constituent geplaatst wordt, te gebruiken (zie (20)). Vraagwoordvragen worden gesteld met een vraagwoord en de vraagmarkeerder ‘də’, die achter de bevraagde constituent geplaatst worden (zie (21)). Het vraagwoord en de bevraagde constituent blijven normaal gesproken op hun standaardplaats in de zin staan (wh-in-situ). Zo blijven bevraagde objecten over het algemeen op de objectsplaats staan, dus na het subject en voor het subject. Er zijn echter ook verplaatsingen mogelijk om focus op het zinsdeel te leggen
(20) ee miniha də iiye gunəpaaləṭə salli dunne?
That man Q yesterday Gunapala-DAT money gave-FOC.
‘Was it that man who gave Gunapala money yesterday?’
(21) gunəpaalə iiye gatte monəwa də?
Gunapala yesterday took-FOC what Q
‘What did Gunapala take yesterday?’
Coördinatie
In het Singalees bestaat er niet een woord dat vergelijkbaar is met het Nederlandse ‘en’. Er is wel een affix dat coördinatie uitdrukt: -y. Dat affix wordt alleen gebruikt bij het coördineren van twee naamwoordgroepen (zie (26)) en zelfs dan is hij niet verplicht. Coördinatie van naamwoordgroepen kan namelijk ook zonder enige markering uitgedrukt worden (zie (27)). Datzelfde geldt voor de coördinatie van werkwoordsgroepen (zie (28)) en zinnen (zie (29)).
(26) gunəpaalay maamay giyaa
Gunapala-and Uncle-and went
‘Gunapala an Uncle went’
(27) gunəpaalə, maama, giyaa
Gunapala Uncle went
‘Gunapala an Uncle went’
(28) api maalu kanəwa, mas kanəwa
we fish eat meat eat
‘we eat fis hand we (also) eat meat’
(29) gunəpaala ehee wæḍə kərənəwa, siri mehee wæḍə kərənəwa
Gunapala there work do-PRES Siri here work do-PRES
‘Gunepala works there and Siri works here’
Mogelijke problemen als gevolg van transfer
Er zijn een aantal belangrijke verschillen in de woordvolgorde tussen het Nederlands en het Singalees. Zo is het Singalees een redelijk strikte SOV-taal, terwijl in het Nederlands, hoewel het een SVO-taal is, de persoonsvorm in hoofdzinnen op de tweede zinsplaats wordt gezet. Het zou daarom niet verwonderlijk zijn als kinderen met Singalees als moedertaal de Nederlandse persoonsvorm aan het eind van de zin zouden zetten, met als resultaat zinnen als ‘Ik hem zie’. Daarnaast kent het Singalees geen voorzetsels, maar achterzetsels, waardoor zinnen als ‘ik loop straat op’ zouden kunnen ontstaan. Ook staan Singalese telwoorden achter het zelfstandig naamwoord, wat tot naamwoordgroepen als ‘boeken twee’ zou kunnen leiden. In de plaatsing van adjectieven, genitieven, aanwijzende voornaamwoorden en kwalificeerders worden geen problemen verwacht, omdat die in het Singalees net als in het Nederlands voor het zelfstandig dan wel bijvoeglijk naamwoord geplaatst worden.
Ook in de plaatsing van bijzinnen bestaan er verschillen tussen het Nederlands en het Singalees. Zo worden betrekkelijke bijzinnen in het Singalees in tegenstelling tot in het Nederlands geplaatst voor het zelfstandig naamwoord waar ze bij horen. Een kind met Singalees als moedertaal zal dus mogelijk zinnen als ‘ik heb die in de kast staan de boeken gelezen’ uiten. Daarnaast worden betrekkelijke bijzinnen altijd voor de hoofdzin geplaatst. In het Nederlands is plaatsing achter de hoofdzin echter ook mogelijk. Het kan dus zijn dat kinderen met Singalees moeite hebben met zinnen als ‘ik ga wat eerder weg, als je het niet erg vindt’.
Singalese vraagzinnen kennen ook woordvolgorde die afwijkt van die van Nederlandse vraagzinnen. In het Nederlands wordt het bevraagde element in niet-gemarkeerde vraagzinnen naar de eerste zinsplaats gehaald, terwijl die in het Singalees op zijn gebruikelijke plaats blijft staan. Wellicht leidt dit tot Nederlandse zinnen als ’gisteren gaf jij wat aan hem?’, die in het Nederlands alleen in heel specifieke contexten gebruikt worden. Daarnaast kent het Singalees een vraagmarkeerder ‘də’. Het is mogelijk dat om die reden Nederlandse vraagwoorden als ‘wat’ aangezien worden als vraagmarkeerder en daarom ook in ja/nee-vragen gebruikt worden, met zinnen als ‘wil je iets drinken wat?’ als gevolg.
Ook sommige ontkenningen worden in het Singalees op een andere plaats gezet dan in het Nederlands. De plaatsing van een ontkenning van een hele zin, namelijk achter het werkwoord, komt wel overeen met het Nederlands: ‘ik woon niet in Sri Lanka’. De ontkenning van een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord wordt in het Singalees echter op een andere positie uitgedrukt dan in het Nederlands, namelijk achter datgene dat ontkend wordt. In het Nederlands zou dat leiden tot zinnen als ‘dat is boek geen’ en ‘dat is een blauw niet boek’. Daarnaast wordt bij Singalese werkwoorden het voorvoegsel no- gebruikt. Het zou zo kunnen zijn dat het Nederlandse ‘geen’ of ‘niet’ als voorvoegsel wordt opgevat, wat zinnen als ‘ik niet-woon in Sri Lanka’ tot gevolg heeft. Verder komt de distributie van nææ en nemey niet helemaal overeen met die van ‘niet’ en ‘geen’ wat in het Nederlands mogelijk leidt tot de keuze van het verkeerde ontkennende woord.
Niet alleen in de woordvolgorde zitten verschillen tussen het Nederlands en het Singalees, maar ook in het al dan niet zichtbaar uitdrukken van bepaalde woorden en verbanden zitten een aantal grote verschillen. Zo zullen sprekers van het Singalees in het Nederlands mogelijk verplichte voornaamwoorden weglaten. Aangezien het Singalees een pro-droptaal is, mogen in die taal voornaamwoorden weggelaten worden als uit de context duidelijk is wie of wat er bedoeld wordt. In het Nederlands is het echter niet mogelijk om deze voornaamwoorden weg te laten. Op een vraag als ‘zie jij de bal?’ kan dus een antwoord als ‘ik zie niet’ verwacht worden. Daarnaast wordt in zinnen met een naamwoordelijk of adjectivaal predicaat mogelijk het koppelwerkwoord weggelaten. In het Singalees wordt in zulke zinnen immers geen koppelwerkwoord gebruikt. Verder kan verwacht worden dat het woord ‘en’ niet gebruikt wordt, aangezien het Singalees coördinatie niet (zichtbaar) uitdrukt.
Verder kent het Singalees geen passiefconstructie die vergelijkbaar is met die in het Nederlands. Dit gebrek aan vergelijkingsmateriaal in het Singalees leidt mogelijk tot moeilijkheden met de verwerving van de Nederlandse passiefconstructie.
De laatste mogelijke moeilijkheid in de Nederlandse syntaxis voor kinderen met Singalees als moedertaal is het uitdrukken van bezit. In het Singalees wordt daar namelijk geen werkwoord voor gebruikt, zoals in het Nederlands, maar een locatief voorzetsel. Dit leidt mogelijk tot zinnen als ‘bij mij is een boek’ in plaats van ‘ik heb een boek’ in het Nederlands.
Pragmatiek
Het Singalees kent een uitgebreid beleefdheidssysteem waarin veel verschillende onderscheiden gemaakt worden. De basis van het systeem is het verschil in sociale status tussen spreker en hoorder. In Tabel 6 wordt een overzicht gegeven van de verschillende Singalese persoonlijk voornaamwoorden voor de tweede persoon en hun gebruik.
Tabel 6: Overzicht van persoonlijke voornaamwoorden voor de tweede persoon
Mogelijke problemen als gevold van transfer
Hoewel de basis van het Nederlandse en het Singalese beleefdheidssysteem, namelijk het uitdrukken van verschillen in aanzien, hetzelfde is, worden er toch problemen verwacht in het Nederlands. Het woord ‘u’ wordt namelijk gezien als het geluid dat een koe maakt en wordt het daarom als onbeleefd gezien. Dit alles leidt mogelijk tot een verminderd gebruik van ‘u’.
Net als in sommige andere Aziatische culturen is het in de Sri Lankaanse cultuur onbeleefd om personen die hoger geplaatst zijn aan te kijken. Dit geldt bijvoorbeeld voor oudere mensen en leraren. Aangezien een logopedist of taal-spraakpatholoog waarschijnlijk als een soort leraar gezien zal worden, is het goed mogelijk dat een kind zijn logopedist of taal-spraakpatholoog niet aan zal kijken. Het niet aankijken van de gesprekspartner zal daarom niet direct als antisociaal gedrag opgevat moeten worden, maar als een uiting van de Sri Lankaanse cultuur.
3. Verwervingsfases van bovengenoemde domeinen in het Singalees
Over de eerste taalverwerving van het Singalees en de verwervingsfases in de genoemde domeinen is er helaas geen informatie bekend.4. Onderzoek naar taalontwikkelingsstoornissen in het Singalees
Er zijn geen onderzoeken bekend naar taalstoornissen in het Singalees.5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen
Alle voorbeelden op deze wiki-pagina zijn, soms in aangepaste vorm, afkomstig uit het boek Sinhala van Gair & Paolillo (1997). Voor het maken van deze wiki-pagina is verder gebruik gemaakt van de volgende bronnen:Artikelen
Jong, J. de & A. Orgassa (2007). Specifieke taalstoornissen in tweetalige context.Logopedie en Foniatrie79, 208-212.
Boeken
Chandralal, D. (2010). Sinhala. Amsterdam: John Benjamins Publising.
Gair, J.W. & Paolillo, J.C. (1997). Sinhala. München: Lincom Europa.
Websites
http://www.ethnologue.com/language/sin
http://wals.info/languoid/lect/wals_code_snh
http://www.omniglot.com/writing/sinhala.htm
https://www.srilankaonline.nl/bouwstenen-reizen-sri-lanka/malediven/
Deze wiki is mede tot stand gekomen door de hulp van D.P., moedertaalspreekster van het Singalees.